Hoger onderwijs benut de kansen van internet niet?

8 Jan

Renske Baars heeft voor het AD twee hoogleraren geïnterviewd: Wolter Mooi van de Vrije Universiteit en José van Dijck van de Universiteit van Amsterdam. Ook De Volkskrant besteedde aandacht aan dit vermeende gebrek aan interesse.
Beide hooggeleerden denken dat méér colleges op het internet voor studenten aan hogescholen en universiteiten betekent dat ze beter worden opgeleid, en voor de onderwijsinstituten dat ze goedkoper uit zijn. Geen wonder dat dit soort ideeën door het Ministerie van Onderwijs worden omarmd!
Professor Mooi is daarbij wel zo praktisch op te merken dat studenten, gepokt en gemazeld met interactieve media als Smartphones, tablets en laptops, zich verbazingwekkend weinig van die media aantrekken zo gauw dat de privésfeer ontstijgt.

Vernieuwen is verbeteren?
Tja, en daarmee zijn we dan weer terug bij af. Want met het op internet beschikbaar stellen van alle colleges zijn we er natuurlijk niet. Op Avans Hogeschool zijn de powerpoints van praktisch alle colleges, mét het ondersteunende materiaal, al jaren via de digitale leeromgeving Blackboard voor élke student beschikbaar. Maar ik kan me toch nauwelijks voorstellen dat dít de voornaamste reden is waarom juist Avans Hogeschool al jarenlang de ranglijst van beste (brede) hogescholen in Nederland aanvoert.
En dan die colleges van beroemde Amerikaanse hoogleraren. Ik vroeg ooit mijn zoon, toen student wiskunde aan de Universiteit Utrecht, hoe vaak hij colleges in het Engels moest volgen. Het bleek dat praktisch al zijn colleges door Engelstalige docenten werden gegeven. Dan kan een college uit de US er ook nog wel bij, natuurlijk.
Nou, professoren, mijn ervaring is dat hogeschoolstudenten met een grote boog om die Engelstalige colleges en minors, die er wél zijn, heen lopen. Een Engelstalig boek is voor de meesten al een verschrikking. Geen kwestie van intelligentie, overigens, maar van luiheid. Natuurlijk kost kennis opdiepen in een vreemde taal meer tijd, al was het alleen maar omdat je daarbij noodzakelijkerwijs onbekende woorden moet gaan opzoeken. Een Nederlandstalig boek, zoals ik ze zelf schrijf, wordt al heel moeizaam doorgeploegd. En een Engelstalig college via het internet volgen? Kom nou!
En dat is bij het internet niet anders. Een collega kwam ooit briesend de koffiekamer binnen. Een student had hem gezegd ‘niets’ over een onderwerp op het internet te kunnen vinden. Nou, hij wel, natuurlijk, maar toen hij de student zei er wel een halfuur naar gezocht te hebben, kreeg hij als antwoord: “Oh, nou bedankt, maar als ik iets niet direct vind, stop ik ermee”. Hij wel!

Zelfstudie stimuleren
Avans heeft een mediatheek vol met boeken en een onderwijssystematiek (Probleem Gestuurd Onderwijs en Project Georiënteerd Onderwijs) die het zoeken naar verschillende bronnen stimuleert. Helaas leidt dat niet tot de diversiteit van invalshoeken waarop we ooit hoopten. Geen onkunde, maar, opnieuw, luiheid. Met name voor minors en afstudeeropdrachten is het Picarta systeem beschikbaar om uit heel Nederland wetenschappelijke publicaties over een bepaald onderwerp te verzamelen. Maar ik heb die publicaties maar zelden terug gevonden in de bibliografie van hun verslagen en afstudeerscripties. Zelfs niet na de nodige druk van mijn zijde. Kost veel te veel tijd naast baan en uitgaan. Er zijn uitzonderingen, overigens, maar die vallen op! Dat zijn de ex-studenten die ik, fysiek en virtueel, ook nog regelmatig tegen kom.

Onderwijs zélf hervormen
Nee, als we in het HBO, conform de stellingname van Mooi en Van Dijk, nog meer gaan digitaliseren, zonder de kern van ons onderwijssysteem te veranderen, gooien we het kind mét het badwater weg.
Betekent dit dat er maar niets moet, of kan, gebeuren in dat HBO? Natuurlijk wel.
Alleen moet dan wel de hele manier van denken over de rol van ‘vakgebieden’ voor stafmedewerkers en docenten op de schop. Bij alle vormen van Project Onderwijs worden studentengroepen wekelijks begeleid door docenten. Alleen worden daarvoor álle beschikbare docenten ingezet, ongeacht hun (tekort aan) kennis, vaardigheid en ervaring op het specifieke vakgebied. Daarom, en daarom alleen al, is het gros van alle hoorcolleges noodzakelijk, als compensatie. Didactisch is het natuurlijk veel nuttiger om studenten, na één inleidend college, de stof vanuit het project zelf te laten opzoeken en verwerken, en de voortgang daarvan via de wekelijkse besprekingen te controleren, te verdiepen en te verduidelijken. Het zal duidelijk zijn dat je, om dát als docent te kunnen, je vakgebied wel goed en breed moet beheersen. Van inzet van ‘alle’ docenten kan dan ook geen sprake zijn. Díe docenten die daartoe wél in staat zijn, moeten dan ook niet alleen studenten, maar ook collega docenten hierin bijscholen en begeleiden. Het is toch te gek voor woorden dat het HBO onderwijs inhoudelijk wordt opgehangen aan het niveau wat de minst vak domein-competente docenten nog net aankunnen? Of blijven we elkaar wijsmaken dat het met een paar extra masterdiploma’s en nog zeldzamer promoties ook wel lukt?

Vis begint bij de kop te stinken
In de inleiding van ‘Buildings, Programs en Environments’ (University of Glamorgan, 2004) stelde ik niet voor niets: “Hogescholen zouden hun studenten geen goedkoop, flets, palet aan cursussen moeten aanbieden, maar juist felle kleuren om hen te helpen bij het bereiken van professioneel succes”. Niet het diploma zelf, maar de weg er naar toe, is het enige wat werkelijk telt. Voor de Hogeschool zou niet het aantal afgestudeerden, of de score bij visitaties, of zelfs hun plaats op die eerder genoemde ranglijst moeten tellen, maar de manier waarop ex-studenten in de praktijk vanuit die opgedane competenties uit de verf komen. Dát moet longitudinaal onderzocht worden.
Dát vereist een bottom-up opzet van opleidingen en cursussen binnen die opleidingen, met een dwars daarop ingeweven (en niet top-down opgedrongen) systeem van kwaliteitszorg vanuit de stafafdelingen. Mijn ervaring is dat veel onderwijs juist wordt ontwikkeld vanuit die kwaliteitszorg, omdat hogescholen wel goed móeten scoren bij de periodieke visitaties. Maar hierdoor komt niet alleen de student, maar ook de docent, steeds meer in de marge te staan van onderwijs ontwikkeling in het HBO, óók bij Avans Hogeschool.

De rol van de ‘Studieomgeving’
De ontwikkeling van de student als professional in zijn of haar vakgebied moet centraal staan. Daarbij zijn inhoud (theorie én praktische vaardigheid) én de juiste studieomgeving cruciaal. Dat is alleen mogelijk als de docenten uit dat vakgebied centraal staan. En die studieomgeving is niet beperkt tot hardware (de schoolgebouwen) en de faciliteiten, zoals nu, ook door genoemde hoogleraren, vaak wordt gedacht. “Een studieomgeving is alles wat een opleidingsinstituut naast de inhoud van de opleiding (curriculum) aan kan bieden om individuele studenten de door hen gewenste competenties te laten verwerven”. Dat betekent gelijk dat we af moeten van de groepsgewijze benadering waarbij de nadruk onvermijdelijk ligt op de minst presterende. Zij beïnvloeden immers het resultaat van een opleiding, faculteit en onderwijsinstituut, op dit moment! Nee, ook HBO instellingen moeten er voor zorgdragen dat degenen die theoretisch uitblinken daar ook de nodige waardering en ondersteuning voor krijgen. Maar ook dat degenen die vooral praktisch getalenteerd zijn, niet worden overladen met kennis en abstracte modellen waarin ze niet geïnteresseerd zijn. Waarin ze van te voren weten er niet in te kunnen excelleren. Eigenlijk dezelfde motivatie discussie die speelt op VMBO en MBO niveau. Er is nog altijd veel kritiek op competentie gericht leren, maar het is juist dít onderwijsmodel dat het individuele studenten mogelijk maakt op volstrekt eigen manier te voldoen aan uniforme exameneisen. En die paar studenten die én in praktische zin, én in theoretische, excelleren, ach, die hebben immers toch al vaak meer last dan steun van hun opleiding, welke opleiding dan ook!

Reinder Koornstra MSc

De auteur is auteur en coauteur van verschillende studieboeken voor het HBO. Hij was 21 docent Commerciële Economie (CE) bij wat nu Avans Hogeschool ’s Hertogenbosch heet, en is daar regelmatig bezig geweest met onderwijsontwikkeling, op het niveau van opleidingen (Deeltijdopleiding CE, Opleiding CE en Opleiding Small Business en Retail Management), op het niveau van keuzevakken en minors (Retail Marketing, Inkoop en Trade Marketing) en, uiteraard, op het niveau van lesblokken binnen verschillende opleidingen. Daarbij heeft hij zich intensief beziggehouden met het (proef)visitatie traject bij verschillende opleidingen van Avans Hogeschool.
Daarvoor was hij, naast zijn werk als Marketing Directeur in de farmaceutische industrie, werkzaam als docent, onderwijsontwikkelaar én lid examencommissie bij opleidingsinstituut ISW en als caseschrijver en corrector bij het Nederlands Instituut voor Marketing (NIMA).
Hij is zelf afgestudeerd aan de (UK) Universiteit van Glamorgan, op een onderzoek naar de rol die het aanbieden van de juiste studieomgeving speelt als factor om als opleidingsinstituut aantrekkelijk te zijn voor nieuwe studenten. Een onderzoek op de grens van Marketing en Onderwijskunde.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: