Tag Archives: beleving

Revival Alphens Stadshart

1 aug

Stadhart
Wie kent niet de problemen in het Alphense Stadshart waar ondanks veel nieuwbouw aan Hoge én Lage Zijde, ondanks de komst van ‘trekkers’ en ondanks een groeiende stroom aan evenementen elk jaar minder consumenten komen winkelen. Alleen gevaarlijke optimisten denken nog dat het, internet of niet, allemaal vanzelf weer goed komt. Want winkeliers die de mogelijkheden van dat internet niet willen inzien, en die mogelijkheden ook niet toepassen in hun winkelformule, zullen de komende jaren niet overleven, als ze nog bestaan. Dát betekent nóg meer leegstand, en de start van de vicieuze cirkel die het einde van ons Stadshart zal betekenen, zoals ik in mijn voorgaande blog schetste.

Het Nieuwe Winkelen
Internet professor Cor Molenaar schrijft bijna zoveel boeken als ons aller Robert Blom, en in 2010 verscheen zijn boek over dat nieuwe winkelen. Cor tekende een heel schema over hoe in het internet tijdperk consumenten tot aankoop van goederen en diensten zouden komen. De rand van dit schema (rode pijlen) geeft aan de ‘klassieke’ manier van handelen, van oriëntatie tot koop, zoals dit al eeuwenlang plaatsvond.

Featured image

Nieuw in dat klassieke proces was alleen wáár die aankoop plaatsvond, niet langer in de winkel, maar in de webshop (gele pijl). Want in de visie van Molenaar speelden winkels alleen nog een rol als ‘showroom’, waar de producten die consumenten in webshops hadden bestudeerd, daadwerkelijk konden worden bekeken en aangeraakt. Inmiddels lijkt hij van die dwaling bekeerd te zijn, maar dít was het concept waarmee hij landelijk bekend werd: “Het Nieuwe Winkelen”. Een concept dat (te) snel werd omarmd door het Hoofdbedrijfschap Detailhandel, tegenwoordig InRetail geheten. Hoewel er op verschillende plaatsen allerlei activiteiten rond dit idee werden ontplooid, zijn ze zonder uitzondering een zachte dood gestorven. En met die initiatieven ook Het Nieuwe Winkelen zelf!
In 2012 lanceerde ik als tegenhanger het concept ‘De Nieuwe Winkelier’ op http://www.bricksenclicks.me. Hierin stond nu eens niet het koopproces van de consument centraal, maar de manier waarop winkeliers zich een nieuwe toekomst kunnen scheppen door het internet te gebruiken voor een compleet ander soort winkel. Een winkel waarin de unieke mogelijkheden van de fysieke winkel worden gecombineerd met de unieke mogelijkheden van de webshop.

Winkels ouderwets?
Cor Molenaar en zijn aanhangers in de Nieuwe Media kenden maar twee werelden: die van de ‘ouderwetse’ winkels en die van de oneindige horizonten van de webshops. Zij voorzagen een heuse titanenstrijd met een voorspelbare afloop. Van de winkels zou niets anders overblijven dan een paar showrooms, winkelcentra zouden verschrompelen in een wereld waarin niemand meer de huiskamer zou verlaten om aankopen te doen. Voor hen, zonder scholing en/of ervaring in winkelverkoop, was ‘retailing’ niet anders dan een logistieke operatie om de beschikbare goederen uit de hele wereld in contact te brengen met de consument. Een operatie waarbij de webshop vele malen aantrekkelijker zou zijn dan de fysieke winkel.
Heeft hij daarin ongelijk? Grotendeels wel, want winkelen, en zelfs boodschappen doen, is veel méér dan jezelf voorzien van noodzakelijke goederen. Waar consumenten steeds meer ‘beleving’ vragen bij hun aankoop, zien we dat de webshop daarvoor heel beperkte mogelijkheden heeft, terwijl dit, mits de winkelier daarop inspeelt, het sterke punt is van zowel individuele winkels als van winkelcentra.
Maar hij heeft deels gelijk, in die zin dat geen enkele winkel zo groot is dat alle beschikbare aanbod op de wereldmarkt daar getoond, en geleverd kan worden. Winkeliers doen aan ‘preselectie’, ze vormen uit dat enorme aanbod een assortiment waarvan zij denken dat dit hun klanten de beste keus biedt. Terwijl een webshop niet eens gelimiteerd wordt door wat in hun magazijnen is opgeslagen, want ze kunnen via links met andere webshops letterlijk ‘de wereld bij U thuis’ brengen, zonder ook maar één product op voorraad te hebben. Ze bemiddelen daar alleen in, wat Anderson (The Long Tail) Digital Retail noemt.
Wat lag er nu meer voor de hand dan het integreren van de sterke punten van zowel fysieke winkels met de sterke punten van die webshops: De Nieuwe Winkelier.

De Nieuwe Winkelier
Bij de opzet van assortimenten zien we dat winkels, in de illusie daarmee elke klant tevreden te stellen, hun ‘kernassortiment’, de goederen die de klant in hun winkel verwacht, uitgebreid hebben met steeds meer ‘randassortiment’, méér merken, méér soorten, méér kleuren, méér maten en méér prijsklassen. Winkeliers gingen verder door hun assortiment ‘service producten’ (denk aan schoenveters bij schoenwinkels) enorm uit te breiden, zodat ze nog meer konden verkopen aan klanten die niet dáárvoor die winkel bezochten. ‘Branchevreemde” artikelen werden gemeengoed, zodat het begrip ‘branche’ in feite is verdwenen. Uiteindelijk leidde dat tot almaar groeiend winkeloppervlak, tot schaarste aan ruimte in de bestaande winkelcentra, en uiteindelijk tot almaar hogere huurprijzen. Maar ook tot meer personeels-, energie- en voorraadkosten. Daarbij gingen winkels die steeds vaker elkaars producten gingen verkopen, steeds meer op elkaar lijken, zodat onze winkelcentra niet alleen groter en duurder werden, maar ook minder attractief. Het resultaat is te zien: lege winkelstraten die leiden tot groeiende leegstand. Met als gevolg nóg minder bezoek.

Featured image

Het concept van De Nieuwe Winkelier rekent af met verouderde denkbeelden uit het pré-internet tijdperk. Winkels concentreren zich weer op hun Kernassortiment, op de producten, de service, de prijsklasse, de winkelcommunicatie die hun doelgroep daar verwacht. Dat kernassortiment wordt aangevuld met een, steeds wisselend, deel van het Randassortiment zodat de klant op het bekende kan rekenen (Jawel, Jacqueline), maar toch steeds met wat nieuws wordt verrast. De grote boosdoener, het Aanvullend Assortiment, verdwijnt grotendeels. Terwijl op de website niet alleen de goederen uit de winkel worden aangeboden, maar ook het sterk uitgebreide (er is immers geen ruimte of voorraadprobleem meer) randassortiment. Een website die, uiteraard, ook vanuit de winkel op grote touchscreens bezocht kan worden. De klant heeft uiteindelijk meer keuze dan nu, al vindt deze dat niet allemaal in de fysieke winkel.

Gevolgen
• Doordat er sprake is van een enorme beperking van het aanbod in de winkel, kan deze uit met hoogstens de helft van het huidige winkeloppervlakte. Dat leidt tot enorme kostenbesparingen die deels ten goede komen van de consument, deels van de winkelier. Uiteraard leidt dat tot omzetverlies, maar dat kan grotendeels via de webshop worden gecompenseerd.
• Het leidt er ook toe dat de huidige winkelruimtes veel te groot zijn voor de nieuwe winkelformule, zodat deze óf kan verhuizen naar een kleinere winkel, óf de ruimte gaat delen met één of meer winkelformules. Precies zoals dat al bij boekhandel Haasbeek Centrum gebeurde met de inwoning van Barista, en nu opnieuw gebeurt met spellenwinkel Hoge Ogen die voorheen aan de Hooftstraat was gevestigd. Trouwens, bezoekers van iCentre’s, van Bruna’s en AKO’s kennen het principe al terwijl ook gemakswinkel Primera grotendeels functioneert als ‘Nieuwe Winkelier’.
• Nadat winkelcentra decennialang te weinig ruimte boden, betekent ‘De Nieuwe Winkelier’ dat er voor al die kleinere winkels veel te veel ruimte beschikbaar is. De praktijk zal zijn dat zeker onze stadscentra (met andere winkelcentra is wat anders aan de hand, zoals we al eerder beschreven) in de toekomst veel compacter zullen zijn dan nu het geval is. De huidige leegstand en de invloed van de huidige webwinkels heeft hiermee weinig te maken.
• Doordat winkelformules zich fysiek weer concentreren op hun Kernassortiment, wordt het allemaal voor de consument weer wat duidelijker. En, omdat die concentratie gaat leiden tot duidelijke verschillen (differentiatie) in aanbod, prijsklasse en ‘beleving’, biedt dat toekomstige Stadshart de Alphenaren op minder oppervlak veel meer dan nu het geval is.
De webshops legden een bom onder de inkomsten, én de toekomst, van de traditionele winkeliers. Met “De Nieuwe Winkelier” zullen de nieuwe, volledig geïntegreerde bricks&clicks formules die webshops weer terugdringen naar hun ‘natuurlijke’ plaats in de marge van de retail. En leidt tot de ‘revival’ van ons Stadshart als politici en winkeliers uit hun huidige lethargie ontwaken.
Deze gevolgen worden in een aantal blogs nog uitgebreid behandeld, maar mijn volgende blog zal gaan over de invloed van de grootschalige detailhandel buiten de bestaande winkelcentra.

Beleving in Castellum?

25 mrt

 

“In theater Castellum in Alphen aan den Rijn beleef je de voorstelling, in de Goudse Schouwburg beleef je het theater”
Tot deze conclusie kwamen we tijdens een discussie die ik, onder het genot van een kopje Barista cappuccino, had met een aantal studenten over dit onderwerp. Hun werkstuk ging over beleving in winkels, maar omdat ze weinig wisten van winkels, maar wel van theaters, zaten we al snel te praten over waarop theaters op dit vlak nou konden verschillen. En zo kwamen we tot deze uitspraak die de huidige problemen bij ons theater Castellum goed kan verklaren.

Beleven
“Een beleving is een uniek en persoonlijk aanbod waarmee je je op de markt kunt onderscheiden en waarvoor je een prijspremium kunt vragen”.
Beste lezers, vanaf het moment dat ik het boek ‘The Experience Economy’ van Gilmore en Pine (1999) las, ben ik een ‘belevenis profeet’ geworden. Na de nodige discussies over dit onderwerp kon ik die ideeën uitwerken voor winkels en winkelcentra, in het boek dat ik schreef over retailmarketing: ‘Marketing voor Retailers’.
Hoewel het principe al jaren bekend is in dierentuinen (ook in Avifauna) en musea (zoals het Archeon) wordt het helaas in winkelformules nog weinig toegepast.

De Goudse Schouwburg
De Goudse Schouwburg is vorig jaar gekozen tot ‘Schouwburg van het Jaar’ en, hoewel ik normaal gesproken een broertje dood heb van ‘lijstjes’, geeft dat toch wel aan dat deze instelling tot de top van de Nederlandse theaters behoort. Toch is er meer dan dat wat ons deed besluiten naar Gouda te blijven reizen in plaats van, dichtbij huis, te verkassen naar het nieuwe Theater Castellum.
Natuurlijk, het theater is veel bekender, je vindt daar voorstellingen die je in Alphen nog niet ziet. Het theatercafé is veel en veel gezelliger, maar ja, je moet wel heen en weer naar Gouda, ook bij slecht weer. Maar, hoewel het publiek per voorstelling anders is, is er eigenlijk altijd veel sfeer, en het gevoel “We zijn er weer”, welke voorstelling je ook bezoekt.

Theater Castellum
Bij Theater Castellum was, al bij de bouw, snel duidelijk dat het gebouw gewoon een paar meter te kort was. Dat had vast iets met architectuur te maken, maar daardoor sta je, éénmaal binnen, pats boem, voor de garderobe. Het theatercafé is een “pijpenla”, waarbij keuken én bars ook nog eens dwars in de ruimte werden geplaatst.
Ik ben geen architect, maar de gedeelde foyer valt elke leek direct op. Wil je iemand ‘aan de overkant’ ontmoeten, dan zul je een flink aantal trappen op en af moeten, om dat te kunnen. In de praktijk moet je het doen met het gezelschap dat toevallig aan jouw kant verblijft. Dat dit effecten heeft op de manier waarop de catering is geregeld (waarbij dat theatercafé al helemaal geen rol speelt) is wel duidelijk, maar dat maakt het er allemaal niet gezelliger op. Het feit dat er ook een ‘ander’ bioscooppubliek komt, maakt de ervaring met Castellum al bij binnenkomst wat rommeliger dan in Gouda, zonder bioscoop.

Beleving
Tja, en zo kwamen we al snel op wat je nu eigenlijk in dat theater beleeft. Is dat de voorstelling, of het theater?
Dán blijkt al snel dat je in Alphen aan den Rijn vooral een voorstelling beleeft, maar in Gouda het theater zelf. In Alphen spreekt iedereen erover dat ze naar die en die voorstelling zijn geweest, of naar die en die artiest hebben beluisterd, of dat en dat optreden hebben meegemaakt, of beleefd. In Gouda gaat iedereen naar de schouwburg, en komt de voorstelling, de artiest, of het optreden op de tweede plaats. Mocht het programma eens tegenvallen, dan heb je toch nog een leuke avond. Dát is in Alphen maar te bezien. Tja, en als je vooraf, én in de pauze, in die foyers relatief weinig plezier van je verblijf ontleende, zul je na afloop niet zo gauw in het theatercafé, waar je immers nog helemaal niet bent geweest, een drankje gaan drinken. Iets wat in Gouda heel gewoon is. Natuurlijk heb ik er geen uitgebreid onderzoek naar gedaan, maar het ligt voor de hand dat de beleving van dat Goudse theater een stuk intenser is dan in Alphen aan den Rijn gebruikelijk is. De kans dat de Alphenaar buiten Alphen aan den Rijn gaat shoppen, is dan ook een stuk groter. En Marc van Kaam moet, elke voorstelling opnieuw, een veel groter deel van zijn ‘klanten’ werven dan zijn collega in Gouda dat moet doen. Dát is duur!

Betalen!
We moeten er niet zo van opkijken dat Theater Castellum steeds meer geld nodig heeft. Dat is in Gouda, zonder bioscoop, ook het geval. Theater Castellum is nu allesbehalve een ideaal gebouw, dus er zal flink geïnvesteerd moeten worden om het gezelliger te maken. Investeren om ook daar het verblijf zelf tot een beleving te maken. Die plannen zijn er, maar het geld niet, blijkbaar. Alphen aan den Rijn moet fors méér geld in het ons theater investeren, en niet minder! Of het ook feitelijk te privatiseren. Dat is best mogelijk, maar dan moeten de nodige politici en bestuurders over hun eigen schaduw heenstappen. En ook dát zal veel geld kosten!
Maar gewoon op de huidige manier wat blijven dooremmeren, dát geeft in ieder geval geen ander perspectief dan dat we elk jaar méér geld in de put gooien.
Kortom, beste bestuurders en politici, geef Marc de financiële ruimte, of verkoop de tent!

Een baken, of een dwaallicht?

22 jul

Inwoners van Alphen aan den Rijn, Boskoop en Rijnwoude, medeburgers
In het Alphense wil men nog wel eens kijken naar andere uit hun krachten gegroeide dorpen, waar de altijd sluimerende megalomane gedachten weer nieuwe voeding kunnen krijgen. Met dit idee in mijn gedachten ging ik een paar weken terug naar Veenendaal, en gisteren naar Amstelveen. Tenslotte kreeg mijn vrouw daar ooit haar eerste aanstelling in het onderwijs, en ook ikzelf heb daar wat stapjes liggen. Want nét terug van een stage bij Karstadt, werd ik assistent bedrijfsleider bij Vroom&Dreesmann in Amstelveen, voor ik, hals over kop, slechts een paar maanden later werd bevorderd tot bedrijfsleider in Amsterdam Noord.
Wel, Veenendaal viel me mee, en Amstelveen viel nogal tegen. Je kunt wat kritiek hebben op de bruikbaarheid van ons Rijnplein, maar het Stadsplein in Amstelveen straalde een doodsheid uit die in Alphen hoogstens (en niet op zaterdag) wordt overtroffen rond ons Thorbeckeplein. Trouwens, dat grote winkelcentrum stelt ook niet zoveel voor. Met betrekking tot een voorbeeldfunctie voor het Stadshart van Alphen aan den Rijn kun je daarbij dezelfde vraagstelling zetten als ik deed na mijn Karstadt periode in Fulda. De titel van dit blog is niet voor niets ontleend aan mijn stageverslag over die tijd.

Nee medeburgers, dat winkelcentrum is vooral groot, en biedt een bijna volledige verzameling aan vaderlandse winkelketens die dat centrum dan ook volledig domineren. Maar het uiteindelijke effect (ik weet het, zo tegen het einde van de opruiming ziet geen enkele winkel en geen enkel winkelcentrum er goed uit) is toch wel dat van een droevige middelmatigheid. Waar ik, en ik niet alleen, het grote V&D filiaal indertijd beschouwde als één van de mooiste winkels van Nederland, biedt het nu vooral middelmatigheid, in alle opzichten. Ik had, veertig jaar na dato, zin om daar weer eens flink aan de slag te gaan! Maar in feite ziet De Bijenkorf er daar min of meer zo uit als ‘mijn’ V&D op de foto’s die ik er toen van maakte, eruit zag en dat devalueert ook die Bijenkorf, een winkel waar je vroeger als klant toch in de watten werd gelegd. Niets meer van over. Nee, de zin van een Intertoys én een Bart Smit, vlak naast elkaar gelegen, ontgaat me, maar ja, moederconcern Blokker moet het zelfs doen met een kelderplaatsje, net als Albert Heijn, overigens. In de centrale hal vinden we nog wat zitplaatsen met gratis internet, een paar kiosken (die beter op dat ‘Stadsplein’ zouden functioneren) en natuurlijk, de trots van Toob Alers, het grote DE terras! Niets eigenlijk om je over te verbazen, bijna niets waarover je je verwondert. Een toppunt van middelmatigheid waar je overal de spreekwoordelijke ‘Henk en Ingrid’ ziet lopen, en waar een standbeeld voor Geert Wilders niet zou misstaan!

Maar ja, dan dat Stadsplein. Nét als in Alphen aan den Rijn, medeburgers, vind je aan één kant terrasjes die hier nérgens uitzicht op bieden, of het zou al, net als in Alphen, de gevel van de Schouwburg moeten zijn. Nét als in Alphen hadden ze in Amstelveen grootse ideeën over de levendigheid die een Cultureel Centrum (Vroeger heette de oude schouwburg ook zo) met bibliotheek en Kunstuitleen zou aanbrengen, maar dat is, zeker op zaterdag een illusie, natuurlijk. Een veel te groot plein dat zo dood is als een pier, met cultuurpaleizen die, zeker als ze gesloten zijn, alleen maar daaraan bijdragen. Nee, op slechts een paar mooie winkels na, is er in het Amstelveense Stadshart niet meer te beleven dan wat je in het eerste het beste dorpshart tegen kunt komen. Eigenlijk is de aangrenzende Rembrandtlaan veel leuker om te shoppen. Dáár zijn de winkels die je in het winkelcentrum mist. Waar bij Vroom&Dreesmann de dame, die de klanten zou moeten begroeten, vooral belangstelling had voor haar eigen nagels, werd je daar netjes gegroet, en heel vriendelijk geholpen. Dát was zeker het geval bij babywinkel Noppies, waar we een leuk, maar zwaar afgeprijsd, babypakje kochten, maar behandeld werden of we voor honderden Euro’s hadden besteed.

Ik vrees, beste medeburgers, dat het weer lang gaat duren voor we weer in Amstelveen gaan winkelen. Dan maar naar Veenendaal, Lisse, Katwijk of zelfs Leiderdorp! Dáár valt voor het Alphense Stadshart niets te leren!
En wat dom op één van die terrasjes zitten kijken naar niets? We zijn maar (lekker) gaan eten bij De Oude School in de wereldstad Ter Aar!

28 mei

De winkel opnieuw uitgevonden

We zijn er de laatste jaren aan gewend geraakt, winkels worden groter en groter, volgens de één of andere verzonnen wetmatigheid. Ze hebben dus meer ruimte nodig en ‘dus’ is het noodzakelijk perifere winkelcentra aan te leggen ten behoeve van de vooruitgang van onze maatschappij. Mega Malls in de rol van een moderne Toren van Babel, inclusief de groeiende spraakverwarring tussen retailers, tussen retailers en de overheid, en tenslotte tussen retailers en hun potentiële klanten, de consumenten.
Want die consument wil helemaal geen Mega Mall, als dat hem (haar) zijn stadscentrum kost. Die wil een passend (niet noodzakelijkerwijs breed en diep) aanbod aan goederen en diensten op een zo goed mogelijk bereikbare plaats. En, hoewel niet te ontkennen valt dat die Mega Malls veel bezoekers trekken, als dat gewenste aanbod niet op de juiste plaats beschikbaar is, dan pakt hij zijn iPad en bestelt hij on-line. Krijgt Molenaar tóch nog gelijk!

Volgens mij is de doctrine van groot, groter, grootst ouderwets en onnodig. Moderne winkels met volledig geïntegreerde Bricks&Clicks formules zullen op een kleiner oppervlak hun assortiment deels fysiek, deels virtueel, presenteren in een winkel die qua beeld en sfeer optimaal aansluit op de belevingswereld van de beoogde klanten. Kortom, minder spullen, en meer beleving op minder dure meters VVO. Dus ook minder huur, minder energiekosten, minder personeel en, natuurlijk, minder voorraadkosten. Want zo’n innovatieve formule heeft het grootste deel van de voorraad, voor de winkel én voor de webshop, gewoon in een centraal magazijn liggen, op goedkope vierkante meters. De tijd dat winkels vooral alles voor iedereen wilden betekenen is immers allang voorbij. Uiteraard blijven er, ook in fysieke zin, grote winkels over. Maar ook die grote winkels (V&D voorop) verhuren een steeds groter deel van hun winkeloppervlakte aan derden, die via grotere of kleinere shop-in-the-shop’s een meerwaarde geven aan het warenhuis, zonder onnodige kosten en investeringen in zaken die niet tot de core business horen. En waarbij men een té klein marktaandeel heeft om zelf profitabel de strijd met de specialisten aan te gaan. Maar ook het gloednieuwe modepaleis van Blijdesteijn in Tiel oogt groter dan de vorige winkel, maar is in feite kleiner omdat ook hier veel ruimte wordt gegeven aan shop-in-the-shop’s. Zodat Blijdesteijn nu, bijvoorbeeld, een mooie schoenwinkel kan presenteren zonder met dit ‘branchevreemde’ assortiment zelf bemoeienis mee te hebben. Dat zien we, o.a., ook terug in de koffieshop.

Tegelijkertijd levert het bricks&clicks concept bestaansmogelijkheden voor superspecialisaties, de “Micro-shops” waarop ik mijn studenten al vijf jaar lang heb laten experimenteren. Micro-shops leveren, in historische pandjes, als onderhuurder van (te grote) winkelpanden, via Shop-in-the-shop of kiosk, een duidelijke bijdrage aan de aantrekkelijkheid van (vooral) stadscentra. Dat komt niet alleen door het unieke, smalle maar diepe, assortiment, maar vooral omdat ze ons vaak zo statische winkellandschap verrijken met afwisseling, levendigheid en verrassing. Op een zo gering aantal vierkante meters dat de prijs daarvan er eigenlijk niet toe doet. Toch is het lastig, en mijn studenten liepen daarop ook vaak vast, om daarmee op de klassieke manier geld te verdienen. Bricks&Clicks is dan niet alleen een goede manier om de voorraadkosten laag te houden en nee-verkopen te vermijden, maar helpt de winkel ook aan klanten, en dus aan omzet, die buiten het fysieke bereik van de winkel vallen. Sociale Media kunnen worden ingezet om zonder veel out-of-pocket kosten zowel nieuwe klanten te genereren, als om bestaande klanten aan de winkel te binden. Als middel ook om mond-tot-mond “reclame” te realiseren, toch vanouds de meest geloofwaardige manier van commerciële communicatie.

Het retaillandschap zal over tien tot vijftien jaar beslist verrijkt zijn met themaparken, die, anders dan de huidige meubelpleinen en Mega-Malls, de klant laten beleven hoe hij zijn leven, thuis óf zakelijk, vorm kan geven. Het ‘Lifestyle Village’ dat de Mandemakers groep realiseert in het Zeeuwse Hulst, is daarvan een leuk voorbeeld. Hoe de binnenstad daarvan optimaal kan profiteren, is iets waarvoor ik een oplossing moet verzinnen, maar daarover later. Zo’n themapark beslaat al gauw 50.000 m2 maar voor andere themawinkels is wat minder ruimte nodig, zoals Tieleman Keukens in Middelharnis aantoont. Die leveren en monteren nog steeds keukens, maar in hun gloednieuwe en duurzame showroom toont het bedrijf niet alleen 70 soorten keukens, maar biedt hun klanten toch vooral een kookbeleving. Minder spullen per vierkante meter, en meer beleving, bricks&clicks, ze zijn niet voor niets tot Beste Zelfstandige Winkel van 2011 verkozen. Maar voor een nieuwe winkelformule met een totale mediabeleving is niet meer nodig dan 2000 m2 VVO, waardoor een dergelijke winkel, met de noodzaak van frequent bezoek, nog wel in de binnenstad een plekje kan krijgen. Daarover een volgend blog, maar de volgende week wil ik het vooral hebben over hoe totale integratie van bricks&clicks in de modewereld zal leiden tot verhoogde omzetten via verlaagde kosten, in aantrekkelijkere winkels. Wie eerst, is de vraag in deze barre tijden.