Tag Archives: gevoel

Bevrijdingsdag in Alphen

6 mei

Inwoners van Alphen aan den Rijn, Boskoop en Rijnwoude, medeburgers

Ik weet niet hoe het U vergaat, maar ik heb al jaren moeite met die ‘Bevrijdingsdag’. Misschien omdat ik vlak na de oorlog, als ‘babyboomer’, tot de minderheid behoorde ‘die het allemaal niet had meegemaakt’. Ondanks dat ons huis een plek voor onderduikers herbergde (zit er volgens mij nog altijd!) was ‘de bevrijding’ iets voor hen, niet voor mijzelf. Maar het was natuurlijk wel altijd heel spannend, met al die verhalen eromheen die met het jaar mooier en spannender werden.
Het begon natuurlijk al met de dag zelf. Eerst de ‘aubade’ voor het gemeentehuis, waar we de burgemeester toezongen alsof hij de koningin zelf was. Dan de optocht bekijken, met al die wagens die ‘de oorlog’ moesten voorstellen en die een logisch verband moesten hebben met wat je allemaal van je ouders, je grootouders en je meesters had gehoord. Tja, wat wil je, zelfs op de HBS las leraar Lammertsma voor uit ‘Snuf de hond’, terwijl zijn collega Algra een authentieke verzetsheld was. Nee, het belang van de oorlog, der rol van het verzet en natuurlijk de Jodenvervolging zijn mij, en mijn hele generatie, met de paplepel ingegeven.

Maar ja, vele tientallen boeken over dit onderwerp, fictie én non-fictie, verder, is mijn jeugdige idee van een duidelijke streep tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ nogal vervaagd. Natuurlijk was en blijft er een kolossaal verschil tussen ideologieën, en natuurlijk was de ‘Endlösung’ een pikzwart idee uit één kamp. Maar Stalin had al voor de oorlog bewezen helemaal geen rassenhaat nodig te hebben om miljoenen landgenoten over de kling te jagen, hij, en zijn kliek, was verantwoordelijk voor de schande van ‘Katyn’, en, het uitmoorden van Warschau door de Duitsers is bewust toegelaten. Ook de andere geallieerden lieten zich niet altijd onbetuigd. Ze waren beslist niet zo ‘wit’ als mij in mijn jeugd werd verteld. De luchtaanval op Dresden en het nodeloze opofferen van Amerikaanse regimenten in het Hürtgenwald zijn maar voorbeelden van hoe in elk kamp van oorlogvoerende landen dingen gebeuren die je eigenlijk niet voor mogelijk zou houden. Het veelgeroemde ‘Market-Garden’ was een militaire blunder van het grootste formaat die gemakkelijk tot een catastrofe voor álle betrokken militairen had kunnen leiden en ook dát werd ons vroeger NIET verteld. En dat we in ‘Indië’ nooit aan een oorlog hadden moeten beginnen is iets dat mij, en mijn hele generatie, pas tientallen jaren later duidelijk werd.

Kortom, ik ben zelf niet bevrijd, en ook aan de daden van de ‘bevrijders’ kleven smetten die je niet zomaar even kunt wegwassen. En natuurlijk leveren gevechten altijd veel slachtoffers op, ‘eigen troepen’, ‘de vijand’ en ‘burgers’, die daar, uitzonderingen daargelaten, nooit voor gekozen hadden, als hen de keus was gelaten. Daarom ook is het jammer dat een gedicht dat hierover door een jongere is geschreven, op de nationale herdenking niet verteld mocht worden. Herdenken is voor veel mensen een kokervisie geworden. Ik heb er best begrip voor, maar de generatie ‘die het niet meemaakte’ is intussen zelf al oud, toch? Intussen zijn er nog vele andere oorlogen gevoerd, die soms wel, soms niet ‘oorlog’ mochten heten, maar waarbij toch, ook Nederlandse, slachtoffers te betreuren vielen.
Daarom vind ik het wel mooi dat we in Alphen aan den Rijn drie groepen slachtoffers apart gedenken, Indiëgangers, Joden én verzetsmensen. Ieder zo op hun eigen plaats. Maar zelf was ik er weer niet bij, zoals ik er ook in Groningen niet bij was, of in mijn geboorteplaats Koudum. Te veel afstand, vrees ik. Al ben ik wel een aantal malen bij de indrukwekkende plechtigheid op de Grebbeberg geweest, en daar zelfs, namens de vereniging ‘Ons Leger’, bloemen gelegd. Waarom niet in Alphen? Een mens zit toch vreemd in elkaar. In ieder geval heb ik het nu wel meegemaakt via de rechtstreekse uitzending door mijn ‘eigen club’ Alphen Stad FM/TV. Misschien volgend jaar toch?

Tja, de volgende dag, de 5e mei heb ik vooral besteed aan een bezoek aan het Archeon met mijn 9-jarige kleindochter Moycha. Het bevrijdingsgevoel kwam echter pas tijdens het ‘Bevrijdingsconcert’ dat door de orgelcommissie van de Adventskerk was georganiseerd. Wat kun je ook anders als vooraf het Wilhelmus wordt gezongen en na afloop alle aanwezigen het bekende ‘We’ll meet again’, dé schlager uit de oorlogsjaren, zongen. Met de uitvoering van Joodse en Jiddische liederen door Klezmerband NIGUN en een paar virtuoze uitvoeringen door ‘huisorganist’ Simon Stelling (Festival Toccata, Largo uit ‘From the New World’ en een eigen arrangement van ‘Rhapsody in Blue’) werd het in ieder geval voor mij, misschien een beetje laat, tóch nog Bevrijdingsdag.

Stedelijke Identiteit

17 okt

‘Stratoloog’Pim van den Berg sprak kort geleden met veel succes VOA leden toe over het ‘DNA’ van onze stad. Nu moet ik bekennen dat ik weinig heb met dat modische gebruik van de afkorting DNA in het zakenleven. Sinds ik voor het eerst, als jong student in de natuurwetenschappen, in de Scientific American de structuur van DNA zag staan, ben ik gefascineerd geraakt door het idee dat een LEGO-achtige structuur bepalend was voor wat ik, in biologische zin ben.
Maar natuurlijk ben ik veel meer. Opvoeding, opleiding, ervaring en de sociale structuur om mij heen heeft minstens zoveel bijgedragen aan wie ik ben en hoe ik me voel. Mijn IDENTITEIT als uniek mens mag dan wel onomstotelijk via mijn DNA vastliggen, maar wie ik ben, en hoe andere mensen mij zien en ervaren, wordt grotendeels NIET door mijn DNA structuur bepaald. Als dat zo was, was ik, en was U, immers in houding en gedrag volstrekt voorspelbaar en we weten allemaal dat dit niet zo is.
Als dat geldt voor mijzelf, en voor U, dan geldt het ook voor de groep waartoe wij horen, voor het bedrijf waarin we werken, of de organisaties en organen waarin we een rol spelen. Daarom is het ook niet zo belangrijk wat mijn DNA is, of wat het DNA van mijn groepsgenoten is, maar wat we zelf, of met z’n allen, vinden, en wat we zelf, of met z’n allen, doen. En dus heeft het niet zoveel zin te praten over dat DNA, wát dat ook mag betekenen in organisatieverband, alsof dat voorspelbaar gedrag zou opleveren. Onze sociale identiteit wordt, volgens Wikipedia, bepaald door ons bewustzijn tot een bepaalde groep te behoren, en als zodanig door die groep én door buitenstaanders te worden behandeld. Dat leidt tot een door die groep gewenst zelfbeeld dat niet eens overeen hoeft te komen met de manier waarop andere groepen daar, vaak stereotiep, tegenaan kijken. Een zelfgeschapen sociale identiteit waarin alle deelnemers zich kunnen vinden en die onvermijdelijk leidt tot de tegenstelling tussen ‘hullie’ en ‘zullie’.

In de politiek leidt zoiets snel tot ‘klevende kiezers’, mensen die het misschien niet, of helemaal niet, eens zijn met een bepaalde politieke stroming, maar die daar, zolang ze geen andere groepering gevonden hebben, toch geen afscheid van durven nemen. Binnen kerken leidt dit snel tot het bouwen van ideologische muren rond de eigen gemeente waardoor drempels worden opgeworpen voor geïnteresseerden die ‘er (nog) niet bij horen’. Ook in culturele zin zijn gemakkelijk grenzen te vinden, en die hoeven lang niet altijd met afkomst te maken te hebben. “Henk en Ingrid” hebben helemaal geen allochtonen nodig om zich ook onderling tot verschillende groepen te rekenen, maar nu ze er zijn, vormen ze natuurlijk een leuk excuus.
In gemeenten kennen we de strijd tussen dorpen en steden, tussen bestuur en politiek, tussen belangengroepen en tussen politieke facties. Vaak zijn die verschillen zo groot, en zo belangrijk, dat de sociale identiteit vanuit die culturele of politieke groep elke vorm van ‘stedelijke identiteit’, waar ons college op blijft hameren, overschaduwt.

Natuurlijk wonen we allemaal in Alphen aan den Rijn, maar voelen we ons ook Alphenaar? Natuurlijk zijn we in fysieke zin allemaal gebonden aan onze woonplaats, maar is dat ook emotioneel het geval? Ik waag dat zeer te betwijfelen.
Ten eerste hebben we het verschil tussen ‘échte Alphenaren’ en ‘Import’. Verder is er een groot verschil tussen Alphenaren die ook economisch aan de stad zijn verbonden (die hier werk hebben) en de meerderheid die dat niet is. Vervolgens is iedereen verdeeld in de meerderheid die het financieel goed gaat, en de minderheid waarbij dat allerminst het geval is. En uiteindelijk wordt ons zelfbeeld, onze persoonlijke identiteit, bepaald door de cultureel/religieuze groepen waarmee we ons verbonden voelen. Eigenlijk zijn er veel meer factoren die ons Alphenaren van elkaar scheiden, dan die ons verbinden. Wij zijn allemaal Alphenaar, maar voelen ons dat niet.

Nu blijkt de Nationale Identiteit vooral te stoelen op historische gronden, uit gebeurtenissen, verhalen en ideeën die we allemaal met elkaar gemeen hebben, of die bewust verzonnen zijn om dat gemeenschapsgevoel te bewerkstelligen. Ik ga er maar vanuit dat dit bij Stedelijke Identiteit ook het geval is. Uiteraard ontbreekt het de Alphense bevolking als geheel aan die gezamenlijke historie. Zelfs de ‘echte Alphenaren’ zullen in hun familiegeschiedenis vooral banden zien met de voormalige gemeentes Alphen, Aarlanderveen of Oudshoorn. En zonder een gezamenlijke geschiedenis komt er van dat ‘Alphense gevoel’, die verbondenheid met de stad en haar inwoners, weinig terecht.
Daarom is het zo zielig dat ons gemeentebestuur er al jaren voor kiest die identiteit voor veel geld uit de grond te rammen. Nieuwe gebouwen moeten ons zelfbeeld als ‘Alphenaar’ opkrikken. Maar het Rijnplein, de Lage Zijde, het Cultuurgebouw, de Baronie en de Maximabrug kúnnen niet dat gevoel genereren dat nodig is om al die Alphenaren, met welke afkomst dan ook, zich te laten identificeren met onze stad. Misschien dat die Alphenaren zich ooit ook Alphenaren gaan voelen, maar dat heeft niets te maken met onze Stadskas, dat Rijnplein of de Fietsappel. Daar gaat tijd overheen, tijd waarin Alphenaren buiten hun zelfgeschapen grenzen heen stappen en steeds meer samen aan een leefbare stad werken. Je kunt dat niet forceren, maar wel stimuleren en het is jammer dat juist op dat laatste wordt bezuinigd.

Natuurlijk is het belangrijk ook fysiek daarvoor de voorwaarden te scheppen, maar een identiteit bouw je niet, die ontstaat.
Ik hoop dat de discussies bij het volgende debatcafé “Op het dorp” verder gaan dan alleen het “DNA”, de ‘maakbare samenleving’ waar toch niemand meer in gelooft. En dat we beginnen met een stukje gezamenlijke historie te schrijven, en die vooral te beleven. Daaraan kunnen de plaatselijke media veel doen, en die doen dat deels al. Nu de gemeente nog!