Tag Archives: Gouda

Stadshart van de Toekomst

22 feb

Stadshart geen harmonica!
De heren Van den Belt en Van Opstal van AD Alphen publiceerden op 21 februari een wel heel populistisch artikel over de centra van Alphen aan den Rijn, Gouda en Bodegraven.
Degenen die mijn blog ‘http://www.bricksenclicks.me’ lezen zullen snel zien dat de kopregel rechtstreeks is afgeleid uit “Winkelcentra zijn veel te groot” van 17 december 2012. Toen heb ik er nog op gewezen dat als winkels steeds groter worden, en de ruimte niet, dat gevolgen heeft voor zowel de huurprijs, als voor de diversiteit in winkels. Kortom, al die zo bejubelde ketens in onze stadscentra vernietigen de eigenheid daarvan, zorgen voor steeds minder aanbod (Kijk maar eens hoe weinig winkels er in De Aarhof zijn overgebleven) en jagen de huurprijs op. Uiteindelijk leidt dat tot minder bezoekers, en, als die ketens vervolgens weer vertrekken, of failliet gaan, tot leegstand.
Dát is een probleem, beste AD journalisten, dat zich, hoe vaak en graag banken, reclame- en adviesbureaus dat ook claimen, absoluut niet laat oplossen via simpele oplossingen als bij elkaar kruipen, koffiecorners of evenementen.

Toeters en Bellen?
Terecht wordt erop gewezen dat Boekhandel Haasbeek Centrum aantrekkelijker is geworden door de ‘inwoning’ van Barista. Toch twee kanttekeningen: Die boekhandel is aanmerkelijk vergroot na verhuizing uit de “pijpenla” in de Van Mandersloostraat. En het had zéker niet gewerkt als niet BEIDE formules aan de top van hun branche zouden staan.
Natuurlijk is de aanpak van bakker Co van Daalen succesvol, maar nóch de inrichting van zijn winkels, noch de opleiding van zijn verkoopsters, had hem aan omzet geholpen als zijn brood niet zou voldoen aan het kwaliteitsniveau dat hij suggereert. Tenslotte lijkt het klassieke interieur van banketbakker Stevers geen enkel beletsel te vormen voor hun zelfs regionale bekendheid. Een naam die ik, naast Stevers, in dit rijtje mis is de gloednieuwe kookwinkel van Woerdman, die, juist omdat de winkel is uitgebreid, eindelijk in staat is de Alphenaren nou eens te tonen wat hij al die jaren al aan kwaliteitsspullen verkocht. En waar nu eindelijk ruimte is om al die apparaten door vakkundige koks te laten demonstreren. Kijken, Ruiken, Proeven: BELEVING! Trouwens, die hele Julianastraat is zo langzamerhand vol gegroeid met lokale speciaalzaken, naast veel horeca. En dan praat ik nog niet eens over het ondernemersexperiment City Bazaar! Het is alleen zo jammer dat de helft van die straat wordt geblindeerd door de vestiging van Hoogvliet.
Nou kun je van alles en nog wat aan acties verzinnen, maar simpelweg effectief met elkaar samenwerken, elkaars aanbod in de eigen winkel gaan promoten, zou de winkeliers in deze straat meer helpen dat welke reclamecampagne dan ook. Tja, onder reclamemakers ben ik niet zo populair natuurlijk, met dit soort uitspraken. Toch ben ik niet tegen ‘toeters en bellen’, tegen “roering” in en rond de winkel, waarmee ik natuurlijk ook in het warenhuis ben opgevoed. Maar klanten aantrekken heeft alleen maar zin als het ‘door de weekse aanbod’ dusdanig is dat die klant daar blijft komen. Vanwege de kwalitatieve invulling van het centrum als geheel, en die van winkels en horecaondernemingen afzonderlijk.

Centrumwinkels
In grote dorpen als Boskoop en Bodegraven is het centrum óók een boodschappencentrum, maar een stadshart zoals in Gouda of Alphen moet juist GEEN boodschappencentrum zijn. Gouda is dat dan ook niet, maar Alphen, met, o.a., DRIE grote supermarkten in het centrum, is dat beslist wel. Je kunt dan ook het eeuwenoude stadscentrum van Gouda absoluut niet vergelijken met die van het dorpscentrum in Alphen aan den Rijn, en de problemen in beide centra dus ook niet.
In Gouda is het vooral een kwestie van teveel horeca in het centrum, en teveel winkels, en vooral landelijke ketens, verspreid over een paar lange aanloopstraten naar dat centrum. Vandaar dat ik buitengewoon verrast werd door een initiatief om dat winkelgebied nóg verder op te rekken tot aan het station. Gelukkig ging dat niet door. Op zich is ook de ontwikkeling van het grootschalige winkelgebied Goudse Poort geen slechte ontwikkeling, maar het is wel merkwaardig dat die ontwikkeling niet leidde tot effectieve maatregelen in de Goudse binnenstad. En dan gaat Gouda ook nog een groot wijkwinkelcentrum (Bloemendaal) ontwikkelen alsof er in en rond die stad honderdduizenden potentiële klanten wonen. Tja, en dan staat er maar een paar kilometer verder, in Waddinxveen, ook zo een……
In Alphen aan den Rijn speelt het ‘vlees noch vis’ verhaal een belangrijke rol. Daar wil het ‘Stadshart’ haar inwoners een ‘winkelervaring’ bieden, maar tegelijkertijd hét boodschappencentrum voor de centrumbewoners blijven. Als gevolg staan er wel DRIE supermarkten die, zogenaamd, klanten trekken voor de andere winkeliers, maar dat in de praktijk natuurlijk niet doen. Want wie gaat er nu, aansluitend aan een bezoek aan Hoogvliet of Albert Heijn, rustig modezaken aflopen, koffie drinken, of een lunch verorberen? Nee, Stadshart willen zijn, maar Dorpshart blijven, dát is slecht detailhandelsbeleid over een lange periode. Anders dan in Gouda, maar net zo verkeerd. “Middle of the Road” is de dood voor elk winkelcentrum

Winkelcentra
Hoewel winkeliersverenigingen het tegendeel beweren, zijn er functioneel GROTE verschillen tussen de diverse types winkelcentra. Dat zou moeten leiden tot een sterk afwijkend aanbod, en een heel andere ‘beleving’ door de beoogde consument, maar de praktijk is dat alles op elkaar lijkt. En dat heeft met name ernstige gevolgen voor de aantrekkelijkheid van de Stadscentra van onze kleinere en middelgrote steden, dé zorgenkinderen in de retailsector! Dit zijn die types centra:

1. De centra van onze grote steden.
Deze staan in feite op zichzelf. Doordat hun primaire functiegebied al vele honderdduizenden klanten betreft, bieden ze ruimte aan een grote hoeveelheid winkels. Natuurlijk zitten daar ook ‘de ketens’ bij, maar die kunnen hier geen stempel op drukken omdat het totale aantal zo groot is. De praktijk is dat het secundaire functiegebied hele regio’s omvat, waarbij de klanten een bezoek aan dat stadscentrum als het ultieme winkelen ervaren.
2. De centra van onze middelgrote en kleine steden
Deze zijn gewoonlijk vanaf de negentiende eeuw ontwikkeld uit de oorspronkelijke dorps- of stadskern. Doordat er steeds nieuwe wijken aan die kern werden toegevoegd, woonde een slinkend deel van de totale bevolking in het centrum. Als gevolg verdwenen hier de ‘boodschappenwinkels’ die we terugvonden in wat toen de ‘aanloopstraten’ heetten, en uiteindelijk, geclusterd, in wijk- en buurtcentra. In Alphen aan den Rijn is gemakkelijk te zien dat deze functionele verdeling in winkelgebieden nog maar kort geleden op gang is gekomen, de belangrijkste reden waarom het Stadshart is opgebouwd door aan het bestaande dorpscentrum steeds meer winkels toe te voegen. En waarom ook de wijk Kerk en Zanen, met meer dan 15.000 inwoners, het moet doen met niet meer dan een buurtwinkelcentrum!
In Gouda zien we die ontwikkeling naar recreatief winkelen in het centrum wel, maar hier komt de concurrentie voor het eeuwenoude Stadshart vanuit de omliggende winkelcentra die qua aanbod vér uitgaan boven wat hun logische functie zou moeten zijn.
 3. De wijk-, buurt en dorpscentra
Deze zouden in feite de hele behoefte aan dagelijkse gebruiks- en verbruiksartikelen moeten dekken, terwijl in het Stadscentrum alles is gericht op ‘recreatief winkelen’. In Alphen is dit absoluut niet het geval, en concurreert alles met iedereen om de gunst van de klant. Een klant die, mede daarom, ons Stadshart steeds vaker gewoon links laat liggen, en winkelt in omliggende stadscentra die zich wél hoofdzakelijk op dat recreatieve winkelen richten. In het dichtbevolkte Westen natuurlijk geen groot probleem.
In Gouda functioneert het nieuwe wijkcentrum in feite als ‘dorpscentrum’ voor de omliggende wijk, zodat Gouda-Noord grotendeels wegvalt als ‘klant’ van de Goudse binnenstad! Hoe stom kun je als beleidsmaker, én politicus, zijn!
4. De buurtwinkel
De dorps- of buurtwinkel kun je zien als aanvullende Retail voorziening, als mini-winkelcentrum. Zeker in een vergrijzende maatschappij, waarin ouderen volop moeten blijven ‘participeren’, een aanvulling die alleen maar in belang toeneemt.
 5. De perifere winkelcentra
Dit soort winkelcentra, waarbij ik niet de ‘Shopping Malls’ betrek (die, zie Oberhausen of Wijnechem, in feite Stadshart vervangende winkelcentra zijn) bieden ruimte voor detailhandelsvormen die op belangrijke, maar infrequente, aankopen zijn gericht. Er komen klanten uit een straal van 100 km of meer die hun keus willen maken uit een assortiment dat in de thuissituatie niet beschikbaar is. Het soort winkelcentra die we allang kennen als ‘Meubelpleinen’, ‘Autoplaza’s’, Factory Outlet Centre’s (Bataviastad), als vrijstaande giganten als Hornbach of IKEA, maar ook als cluster van gespecialiseerde beleveniswinkels zoals ‘Vrijbuiter’ op de ‘Goudse Poort’. Als het goed is hebben dorps-, buurt-, wijk- en stadscentra hier niet veel last van, deels omdat ze voor de meeste klanten te ver weg liggen, deels omdat het producten betreft die allang niet meer binnen die centra te koop zijn.

Nieuwe concepten
Al in 2012 lanceerde ik het concept van ‘De Nieuwe Winkelier’ op http://www.bricksenclicks.me. Die Nieuwe Winkelier ziet in dat hij zijn assortiment veel te ver van de oorspronkelijke opzet uitgebreid heeft. Daardoor zijn wel de kosten naar rato van het aantal artikelen (Stock Keeping Units, SKU’s) gestegen, terwijl de opbrengsten achterblijven. Het leidt, ook bij de klant, tot ‘branchevervaging’ en verwarring. Wáár kan de klant voor een specifieke aankoop nog terecht? Alle winkels lijken op elkaar, in assortiment én in prijsstelling. De ‘gesel’ van “best practices”, overdreven marktonderzoek en “Benchmarking” hebben de zelfstandige specialist het centrum uitgejaagd, terwijl winkels én winkelcentra tegelijkertijd steeds meer op elkaar zijn gaan lijken. Intussen zijn ‘de ketens’ gaan uitbreiden naar wijk- en dorpscentra. Als gevolg ervaart de consument een Stadshart in een kleinere stad als Alphen of Gouda niet als ánders dan het eigen dorps- of wijkcentrum (Tenslotte hebben ook Bodegraven en Boskoop een HEMA), en die consument zoekt dat verschil dan maar ergens anders.
De Nieuwe Winkelier heeft het grootste deel van zijn, toch al ferm uitgedund, assortiment via de volledig geïntegreerde webshop beschikbaar. Hij heeft dus veel minder ruimte nodig, werkt met weinig personeel of zonder personeel, en is dus om allerlei reden genoodzaakt met zijn collega’s samen te werken. Geen ‘shop-in-the-shop’, geen ‘pop-up’, maar een gezamenlijke winkel voor drie of vier zelfstandige winkeliers. Dat leidt niet alleen tot een totaal nieuw business model, maar ook tot een heel compact Stadshart. En tot een dynamische winkelomgeving voor de klant die in allerlei overzichtelijke, vaak super gespecialiseerde winkeltjes in diverse prijsklassen terecht kan. Een winkelomgeving waarin steeds wisselende marktkramen (de weekmarkt is inmiddels Voltooid Verleden Tijd) de dynamiek nog verhogen. Winkeltjes die ook nog eens om de haverklap het in de winkel getoonde assortiment aanpassen. Winkeltjes die de macht van ‘de ketens’ zullen breken, tenzij ook deze hún business model aangrijpend aanpassen.
Voor Alphen en Gouda komt het erop neer dat het Stadshart over 25 jaar hoogstens een omvang van een 100 meter radius (30.000 m2, inclusief openbare ruimte, etc.) zal hebben. Mét horeca en diensten maar, uiteraard, zonder supermarkt!
Grote winkels vinden we alleen nog maar buiten dat Stadshart.
Deze situatie betekent relatief meer parkeerruimte in dat Stadshart, en veel meer leuke, en vaak heel gespecialiseerde, winkels op een kleiner oppervlakte dat dan wel voor alle inwoners ‘the place to be’ zal zijn. Elektronica (Smartphone) lost het probleem van het parkeren op, omdat elke aankoop met elektronische betaling (chartaal geld is inmiddels historie geworden) aftrek van parkeerkosten oplevert. Wat niet in de winkel voorradig is, wordt óf nog dezelfde dag bezorgd (gezamenlijke bezorgdienst) óf (door winkelier of klant) online elders besteld. Tot diep in de wijken staan combinaties van buurtwinkels en afhaalpunten (systeem Primera-plus) om de toenemende vergrijzing op te kunnen vangen, waar ook overheid, culturele voorzieningen (bibliotheek, o.a.), gezondheidszorg, onderwijs-, sport- en welzijnsvoorzieningen zijn gevestigd. Met horeca, uiteraard.
Maar het compacte Centrum winkelgebied blijft het kloppende hart van de stad: Het Nieuwe Stadshart!

Ik hoop het (deels) nog mee te maken.

Beleving in Castellum?

25 mrt

 

“In theater Castellum in Alphen aan den Rijn beleef je de voorstelling, in de Goudse Schouwburg beleef je het theater”
Tot deze conclusie kwamen we tijdens een discussie die ik, onder het genot van een kopje Barista cappuccino, had met een aantal studenten over dit onderwerp. Hun werkstuk ging over beleving in winkels, maar omdat ze weinig wisten van winkels, maar wel van theaters, zaten we al snel te praten over waarop theaters op dit vlak nou konden verschillen. En zo kwamen we tot deze uitspraak die de huidige problemen bij ons theater Castellum goed kan verklaren.

Beleven
“Een beleving is een uniek en persoonlijk aanbod waarmee je je op de markt kunt onderscheiden en waarvoor je een prijspremium kunt vragen”.
Beste lezers, vanaf het moment dat ik het boek ‘The Experience Economy’ van Gilmore en Pine (1999) las, ben ik een ‘belevenis profeet’ geworden. Na de nodige discussies over dit onderwerp kon ik die ideeën uitwerken voor winkels en winkelcentra, in het boek dat ik schreef over retailmarketing: ‘Marketing voor Retailers’.
Hoewel het principe al jaren bekend is in dierentuinen (ook in Avifauna) en musea (zoals het Archeon) wordt het helaas in winkelformules nog weinig toegepast.

De Goudse Schouwburg
De Goudse Schouwburg is vorig jaar gekozen tot ‘Schouwburg van het Jaar’ en, hoewel ik normaal gesproken een broertje dood heb van ‘lijstjes’, geeft dat toch wel aan dat deze instelling tot de top van de Nederlandse theaters behoort. Toch is er meer dan dat wat ons deed besluiten naar Gouda te blijven reizen in plaats van, dichtbij huis, te verkassen naar het nieuwe Theater Castellum.
Natuurlijk, het theater is veel bekender, je vindt daar voorstellingen die je in Alphen nog niet ziet. Het theatercafé is veel en veel gezelliger, maar ja, je moet wel heen en weer naar Gouda, ook bij slecht weer. Maar, hoewel het publiek per voorstelling anders is, is er eigenlijk altijd veel sfeer, en het gevoel “We zijn er weer”, welke voorstelling je ook bezoekt.

Theater Castellum
Bij Theater Castellum was, al bij de bouw, snel duidelijk dat het gebouw gewoon een paar meter te kort was. Dat had vast iets met architectuur te maken, maar daardoor sta je, éénmaal binnen, pats boem, voor de garderobe. Het theatercafé is een “pijpenla”, waarbij keuken én bars ook nog eens dwars in de ruimte werden geplaatst.
Ik ben geen architect, maar de gedeelde foyer valt elke leek direct op. Wil je iemand ‘aan de overkant’ ontmoeten, dan zul je een flink aantal trappen op en af moeten, om dat te kunnen. In de praktijk moet je het doen met het gezelschap dat toevallig aan jouw kant verblijft. Dat dit effecten heeft op de manier waarop de catering is geregeld (waarbij dat theatercafé al helemaal geen rol speelt) is wel duidelijk, maar dat maakt het er allemaal niet gezelliger op. Het feit dat er ook een ‘ander’ bioscooppubliek komt, maakt de ervaring met Castellum al bij binnenkomst wat rommeliger dan in Gouda, zonder bioscoop.

Beleving
Tja, en zo kwamen we al snel op wat je nu eigenlijk in dat theater beleeft. Is dat de voorstelling, of het theater?
Dán blijkt al snel dat je in Alphen aan den Rijn vooral een voorstelling beleeft, maar in Gouda het theater zelf. In Alphen spreekt iedereen erover dat ze naar die en die voorstelling zijn geweest, of naar die en die artiest hebben beluisterd, of dat en dat optreden hebben meegemaakt, of beleefd. In Gouda gaat iedereen naar de schouwburg, en komt de voorstelling, de artiest, of het optreden op de tweede plaats. Mocht het programma eens tegenvallen, dan heb je toch nog een leuke avond. Dát is in Alphen maar te bezien. Tja, en als je vooraf, én in de pauze, in die foyers relatief weinig plezier van je verblijf ontleende, zul je na afloop niet zo gauw in het theatercafé, waar je immers nog helemaal niet bent geweest, een drankje gaan drinken. Iets wat in Gouda heel gewoon is. Natuurlijk heb ik er geen uitgebreid onderzoek naar gedaan, maar het ligt voor de hand dat de beleving van dat Goudse theater een stuk intenser is dan in Alphen aan den Rijn gebruikelijk is. De kans dat de Alphenaar buiten Alphen aan den Rijn gaat shoppen, is dan ook een stuk groter. En Marc van Kaam moet, elke voorstelling opnieuw, een veel groter deel van zijn ‘klanten’ werven dan zijn collega in Gouda dat moet doen. Dát is duur!

Betalen!
We moeten er niet zo van opkijken dat Theater Castellum steeds meer geld nodig heeft. Dat is in Gouda, zonder bioscoop, ook het geval. Theater Castellum is nu allesbehalve een ideaal gebouw, dus er zal flink geïnvesteerd moeten worden om het gezelliger te maken. Investeren om ook daar het verblijf zelf tot een beleving te maken. Die plannen zijn er, maar het geld niet, blijkbaar. Alphen aan den Rijn moet fors méér geld in het ons theater investeren, en niet minder! Of het ook feitelijk te privatiseren. Dat is best mogelijk, maar dan moeten de nodige politici en bestuurders over hun eigen schaduw heenstappen. En ook dát zal veel geld kosten!
Maar gewoon op de huidige manier wat blijven dooremmeren, dát geeft in ieder geval geen ander perspectief dan dat we elk jaar méér geld in de put gooien.
Kortom, beste bestuurders en politici, geef Marc de financiële ruimte, of verkoop de tent!

Stadshart Alphen aan den Rijn, die 177e plek zegt HELEMAAL NIETS

7 jan

De problemen rond de aantrekkelijkheid van de centra van kleinere steden zoals Alphen aan den Rijn, Gouda en Woerden zijn algemeen bekend. Daarom is elke tabel, waarin deze steden voorkomen direct een hot item. Zo ook het recente lijstje over diversiteit van het CBS. Voor mij is ook dit lijstje weer een bevestiging van mijn bekende scepsis ten aanzien van lijstjes, en de aandacht voor de plaats daarop. Niet ten opzichte van het CBS zelf, overigens.
Op de frontpagina van dagblad AD/Alphen komen een aantal plaatselijke Retail coryfeeën aan het woord, maar die lijken, gezien hun antwoorden, niet helemaal op de hoogte van wat die lijst nou eigenlijk betekent: Diversiteit is NIET hetzelfde als aantrekkelijkheid! En plaats, stijgen of dalen op die lijst zeggen juist heel weinig.
Uiteraard heeft Sanne van der Kolk ook mij geïnterviewd, op bladzijde 5. Maar de vraag ‘Wat is een aantrekkelijk stadscentrum’ laat zich niet in een paar antwoorden vangen. Vandaar deze ‘uitbreiding’ die ook in dit blog noodzakelijkerwijs ook wat langer uitvalt. Mijn excuses!

CBS tabel diversiteit
Het Centraal Bureau voor de Statistiek doet elk jaar onderzoek naar welke buurt de bezoekers de meeste diversiteit aan branches biedt. Uit dat onderzoek blijkt de binnenstad van Haarlem veruit het meeste (68 van de 81 door CBS gekozen branches) te bieden, en scoort Lelystad op plaats 485, met slechts 30 branches van de 81, als minste. Binnen het Groene Hart spelen Gouda (plaats 43) en Woerden (64) nog mee, maar zijn Alphen aan den Rijn (177) en Zoetermeer (147) niet meer dan schamele middenmoters. Bodegraven (425), met overigens een prachtig verhaal in dezelfde krant, zit in de onderste groep, de kleinere kernen in het Groene Hart worden niet eens meegeteld.

Wat is diversiteit?
Het CBS definieert diversiteit als het MINSTENS ÉÉN KEER voorkomen van een branche uit hun tabel! Daarbij wordt met een aantal zaken géén rekening gehouden:
• Het aantal verschillende winkels binnen de dezelfde ‘branche’ is binnen een stadscentrum beslist groter dan binnen een dorpscentrum.
• Veel winkels voeren artikelen uit verschillende branches, maar gewoonlijk (ook het CBS zal dat doen) telt de artikelgroep die voor minstens de helft van de omzet zorgdraagt.
• Diversiteit zegt op deze manier ook niets over de ‘kwaliteit’, of zelfs van het aanbod van een winkelcentrum.
• Er wordt in het geheel geen rekening mee gehouden dat er verschillende typen winkelcentra zijn met sterk verschillende functies voor de consument.
• De sterk groeiende rol van het internet wordt vergeten (http://www.bricksenclicks.me)

Diversiteit in winkels is niet gelijk aan diversiteit in aanbod
Bij een recent onderzoek in Vestingstad Hulst (plaats 388) kwam ik er achter dat de 33 winkels in de Binnenstad (Hulst heeft ál haar grote supermarkten buiten de wallen liggen) betekenden dat binnen de door mij gedefinieerde 47 (sub) branches (inclusief horeca) deze in totaal 157 maal werden aangeboden. Kortom, veel winkels vangen het ontbreken van een speciaalzaak op door er een assortiment bij te nemen. Ook in relatief kleine dorpen is in feite alles te krijgen, mits je minder eisen stelt aan de keus in merken en prijsniveau. De ‘speciaalzaken’ zijn er minder gespecialiseerd.
Maar ook in grotere centra kan verwarring optreden. Want een HEMA biedt al jaren van alles en nog wat, maar profileert zich de laatste jaren steeds meer als city-supermarkt. Maar in de CBS grafieken komt het bedrijf niet als supermarkt voor. Aan de andere is een Albert Heijn XL steeds meer een HEMA geworden, maar telt niet als warenhuis mee. Winkelketen Kruitvat wordt nog steeds meegeteld als drogisterij, maar verkoopt van alles en nog wat. Dat is nóg erger bij winkels als ACTION of zijn kloon Grand Bazar. Zeeman zit in dezelfde branche als Primark, maar kan er 20x in! Kortom, wat statistisch is neergelegd is niet wat een klant in de praktijk mag verwachten.

Verschillende functies voor verschillende centra
Binnen een ‘verzorgingsgebied’ zien we winkelaanbod van verschillend niveau, van buurt (dorps) super tot grote-stadscentrum. Daartussen zitten dorpscentra, buurtcentra, wijkcentra en (kleine- en middelgrote) stadscentra. De bedoeling is dat de consument voor zijn dagelijkse behoeften terecht kan in de directe omgeving (ook goed voor het milieu), en dat hij/zij voor “recreatief winkelen” in de centra van onze steden terecht kan. Het toppunt vormt dan natuurlijk wel een bezoek aan één van onze grootste steden. Daarnaast, zoals iedereen weet, hebben we centra voor grootschalige detailhandel (bouwmarkten, e.d.) en centra met een speciale functie (Meubelpleinen, Factory Outlet Centers, MegaMalls, maar ook IKEA). Voor meer informatie, zie: ‘Marketing voor Retailers, tweede editie). Het is dan ook maar de vraag of sommige Stadscentra niet TEVEEL branches herbergen die de sfeer voor recreatief winkelen meer storen dan bevorderen. Zeker in Alphen aan den Rijn!
Diversiteit is maar één aspect van Aantrekkelijkheid
Zelf meet ik in onderzoek altijd op de aspecten:
• BREEDTE, het aantal artikelgroepen binnen een winkel, het aantal ‘branches’ binnen een winkelcentrum, zoals het CBS dat vastlegt
• DIEPTE, de keus in merken en prijsklassen binnen een artikelgroep en in winkels binnen een bepaalde ‘branche’ in dat winkelcentrum
• HOOGTE, het prijsniveau van de winkel, in vergelijking met het gemiddelde binnen het winkelcentrum, en van het winkelcentrum in vergelijking met andere in dat verzorgingsgebied.
• NIVEAU, de mate waarin de winkel past bij de ambitie van het centrum als geheel
• UITSTRALING, de mate waarin de winkel in alle opzichten het GEWENSTE imago van het winkelcentrum ondersteunt
Uit dít rijtje is al snel duidelijk dat het CBS lijstje alleen het éérste aspect betreft. Daarbij tel ik altijd mee de horecasector, het aanbod van dienstverleners (Banken, maar ook kerken), het cultuuraanbod en overheidsdiensten. En natuurlijk de beschikbaarheid van vrij internet (WIFI). Tenslotte zijn ook andere activiteiten (markten, evenementen, manifestaties) op welke schaal dan ook belangrijk om van een centrum ook een ‘place to be’ te maken, of, zoals Corio dat noemt: ‘Favorate Meeting Places’.

Wat is aantrekkelijk?
Zoveel mensen, zoveel zinnen, zegt het spreekwoord. In veel dorpen stellen retailers al snel dat er met een aantal winkels in dezelfde branche er wel voldoende keus is. Nou, dát is maar de vraag. Want verschillende (doel)groepen consumenten stellen elk andere eisen aan de producten en diensten die ze kopen, en, om het ingewikkeld te maken, verschilt dit ook nog sterk per productgroep. Jongeren en ouderen, tweeverdieners en huisgezinnen, professionals en amateurs, ze stellen allemaal andere eisen. En het winkelcentrum wil eigenlijk aan alles tegelijkertijd voldoen.
Dát is in de praktijk onmogelijk, en dus moet er gekozen worden. Ondernemers en gemeente moeten samen een uitgangspunt bepalen voor de verschillende winkelcentra: Wat willen we zijn, en voor wie? Het antwoord op die vraag (Het Anker) betekent tegelijkertijd wat er de komende jaren in die winkelcentra moet gebeuren.
Want ook de beste winkelformule faalt op de verkeerde plek!
En teveel goede winkelformules op de verkeerde plek betekent dat die plek zelf (het winkelcentrum) ook faalt.
Dát is het probleem van kleine en middelgrote steden als Alphen aan den Rijn, Gouda en Woerden!